DOOFHEIDSONDERZOEK DOOR MIDDEL VAN DE BAER- (BRAINSTEM AUDITORY EVOKED RESPONSE) TEST BIJ RASSEN MET VERHOOGD RISICO IN NEDERLAND.
 
Auteur: drs. N.A.Dijkshoorn *
EEN VERKORTE VERSIE VAN DE LEZING OVER DE RESULTATEN VAN DOOFHEIDSONDERZOEK BIJ HONDEN EN KATTEN, DIE GEHOUDEN WERD OP HET WERELDCONGRES VOOR DIERENARTSEN OP 29 APRIL 2000 IN AMSTERDAM

  Inleiding  
Vanaf 1995 worden honden van een aantal rassen door onze diergeneeskundige kliniek in Zeist in samenwerking met de W.K.Hirschfeldstichting gescreend op het voorkomen van doofheid. Reeds lang is het verschijnsel bekend dat er bij verschillende diersoorten een samenhang bestaat tussen gehoorstoornissen en pigmentafwijkingen. Onder doofheid tengevolge van afwijkingen die buiten het centrale zenuwstelsel zijn gelegen, wordt ten eerste gerekend de "verkregen geleidingsdoofheid" die ontstaat door een blokkade van de geleiding van geluidsgolven. Deze kan worden veroorzaakt door verstopping van de uitwendige gehoorgang veroorzaakt door een ontsteking of van een middenoorontsteking (Fig.1).

Figuur 1: Links: een doorsnede van een normale gehoorgang en het middenoor.
Rechts: een verstoppping van de uitwendige gehoorgang of een middenoorontsteking kan de oorzaak zijn van een verkregen geleidingsdoofheid.

Een tweede vorm van deze doofheid is de erfelijke congenitale doofheid. In dit artikel zullen wij ons richten op deze vorm van doofheid, die de meest voorkomende vorm is van perifere doofheid bij de hond en kat.

Gehoor en vachtkleur
In het normale oor worden de mechanische (geluids-)golven die via de uitwendige gehoorgang en middenoor naar de cochlea worden geleid, in de haarcellen omgezet in neurale prikkels waarna het signaal via zenuwvezels naar de hersenen wordt doorgegeven. Bij de erfelijke congenitale doofheid treedt er een degeneratie op van de bloedvoorziening in het middenoor (fig.2), hetgeen tot afsterven van de haarcellen leidt (Strain 1996). Het afsterven van de haarcellen begint na de geboorte, duurt meestal 3 - 4 weken en is op de leeftijd van 5 weken voltooid. De degeneratie van de bloedvaten in de cochlea is vermoedelijk het gevolg van een plaatselijke afwezigheid van melanocyten in het middenoor die embryonaal afkomstig zijn uit de neurale lijst. Deze melanocyten zijn van kritisch belang in de stria en ze worden onderdrukt door genen die ook verantwoordelijk zijn voor de witte kleur, zoals piebald en merle genen.


Figuur 2:Erfelijke congenitale doorheid treedt op door degeneratie van de bloedvaten in de stria vascularis van het middenoor.

Het merle gen is verantwoordelijk voor het patroon van donker en licht haar zoals we dat kennen bij de Collie, de Shetland Sheepdog en de Australische Shepherd dog. Honden die homozygoot zijn voor het merle gen zijn gewoonlijk doof. Honden die heterozygoot zijn voor het merle gen, hebben een verhoogde kans op doofheid als de hoeveelheid wit verhoogd is. Het piebald gen is verantwoordelijk voor wit haar bij onder meer de Dalmatische hond, de Bull Terrier en de Engelse Setter (Strain 1999). Dieren met een gepigmenteerde iris vertonen minder vaak doofheid dan dieren met een blauwe iris (Strain 1992). De blauwe iris wordt daarom dan ook bij de Dalmatische hond als een ongewenst uiterlijk kenmerk gezien. Dalmatische honden worden met uitzondering van de gepigmenteerde neusspiegel veelal geheel wit geboren, waarna de vlekken zich in de tweede levensweek beginnen af te tekenen. Strain et al (1996) konden geen significante verschillen vinden in incidentie van doofheid tussen Dalmatische honden die zwarte of leverkleurige vlekken kregen. Soms hebben Dalmatische honden een of enkele vlekken bij de geboorte die veelal op de kop gelokaliseerd zijn en daarom bekend zijn onder de naam "kopvlek". Dalmatische honden met een kopvlek bleken minder frequent doof te zijn dan honden zonder kopvlek (Strain et al 1996). De genetische structuur bij pigmentgeassocieerde doofheid is nog niet geheel opgehelderd.

Figuur 3: Dalmatische honden worden met uitzondering van de gepigmenteerde neusspiegel en een eventueel aanwezige kopvlek geheel wit geboren.

Congenitale doofheid kan éénzijdig of beiderzijds voorkomen. In een onderzoek bij Dalmatische honden in de USA is gebleken, dat van de 4596 honden er 21,96% unilateraal en 7,99% bilateraal doof waren (Strain and Tedford,1996). Tevens bleek dat het percentage dove honden hoger is bij nakomelingen van éénzijdig horende dan bij die van beiderzijds horende ouders (Strain et al 1992). Bij onderzoek dat werd verricht bij de Dalmatische honden is er onduidelijkheid over mogelijke geslachtspredispositie bij de dove dieren (Strain et al 1996). Volledige doofheid is meestal wel klinisch vast te stellen, unilaterale doofheid klinisch is echter zeer lastig te diagnosticeren. Hoewel éénzijdig dove honden als gezelschapsdier zonder ernstig ongemak kunnen functioneren, geeft de doofheidstest inzicht voor de fokker over mogelijke uni- of bilaterale doofheid van (toekomstige) ouderdieren en nakomelingen. Zoals hierboven vermeld, is het objectief vaststellen of een hond met één of beide oren niet kan horen, niet eenvoudig. In de humane geneeskunde is apparatuur ontwikkeld waarbij electrische stroompjes gemeten kunnen worden, waarvan de bekendste zijn het ECG (electrocardiogram, stroompjes opgewekt door de hartspier) en het EEG (electroencephalogram, stroompjes opgewekt door hersenactiviteit). De electrische stroompjes die opgewekt worden nadat geluidsgolven het trommelvlies tot beweging hebben aangezet, zijn te meten. De manier waarop deze trillingen worden opgewekt en het meten van de stroompjes die hierdoor in de verschillende zenuwknopen en in het verlengde merg ontstaan is de methode BAER (brainstem Auditory Evoked Response). Op initiatief van de Nederlandse Club voor Dalmatische Honden (NCDH) werd door ons vanaf 1995 bij alle pups waarvoor door de NCDH wordt bemiddeld, de gehoortest uitgevoerd op de leeftijd van minimaal 6 weken en werd een keuringsformulier opgesteld (fig. 4).


Figuur 4: het onderzoeksrapport voor cochleair doofheidsonderzoek.

Inmiddels is deze test ook verplicht gesteld voor de Bull Terrier en de Australian Shepherd Dog. Hiernaast verrichten we deze test ook bij Australian Cattle Dog, de Engelse Setter, de Border Collie, en bij diverse raskatten als onderdeel van het screenen van de populatie op één-of beiderzijdse doofheid en bij patiënten van diverse rassen die verdacht worden van doofheid. De W.K.Hirschfeldstichting draagt zorg voor registratie en certificering. Hier wordt verslag gedaan van de incidentie en geslachtsverdeling van één- en beiderzijdse doofheid bij 1656 onderzochte honden van diverse rassen, die door ons op uniforme wijze door middel van de Brainstem Auditory Evoked Response test zijn onderzocht en van de relatie van doofheid bij de Dalmatische hond met enkele fenotypische kenmerken.

Materiaal en methoden
De Brainstem Auditory Evoked Response (BAER-) test werd ontwikkeld in de humane geneeskunde en geïntroduceerd voor diergeneeskundig gebruik in de jaren tachtig. De test wordt uitgevoerd met een "evoked potential medical instrument" (Cadwell, Washington, USA) dat 1000 geluidsstimuli produceert met een frequentie van 11 kliks per seconde met een sterkte van 70 decibel (dB). Bij de BAER-test wordt de hersenactiviteit zichtbaar gemaakt nadat de hond via een oordopje, éénzijdig deze klikgeluiden te horen krijgt (Dijkshoorn en van der Wel, 1997). Alvorens de BAER test wordt verricht, wordt otoscopisch onderzoek verricht naar ontstekingsverschijnselen en/of een abnormaal grote hoeveelheid cerumen in de uitwendige gehoorgang en wordt het trommelvlies geïnspecteerd naar laesies of verschijnselen van een middenoorontsteking, waarmee eventueel andere oorzaken van perifere doofheid uitgesloten worden (figuur 5). Alle honden worden licht gesedeerd met acepromazine (1/8 mg per kg lg, i.m.) en dextromoradinum (1/8 mg per kg lg, i.m.) om elektrische activiteit van de kauwspieren en storende bewegingen van het hoofd te voorkomen, overeenkomstig het protocol van Dr. Venker-van Haagen van de Universiteit Utrecht (figuur 6).

Figuur 5 (links): Onderzoek van het oor wordt verricht voordat de BAER test wordt uitgevoerd om geleidingsdoofheid uit te sluiten.
Figuur 6 (rechts): Een lichte verdoving wordt gegeven om storing in het meten van de opgewekte electrische activiteit te voorkomen.

Onder sedatie worden 3 naaldlektroden bij de hondaangebracht: één bij elke oorbasis en een aardelectrode midden op de kop (figuur 7). Tevens wordt een oordopje waar de geluidsstimulus door gegeven wordt, in de uitwendige gehoorgang geplaatst (figuur 8).

Figuur 7 (links): Na verdoving worden 3 naaldelectroden onderhuids aangebracht.
 Figuur 8 (rechts): Het oordopje waarmee de geluidsstimulus wordt doorgegeven wordt in een uitwendige gehoorgang aangebracht..

De gemiddelde hersenstamactiviteit die door 1000 kliks wordt opgewekt, is zichtbaar op het beeldscherm. Ter documentatie wordt het meetpatroon uitgeprint (figuur 9). De metingen van beide oren worden in duplo uitgevoerd, waarvan de resultaten onder normale, ongestoorde omstandigheden, vrijwel identiek zijn. Indien het signaal verzwakt is, wordt de meting herhaald met een tot 90 dB verhoogde intensiteit. De normale respons bestaat uit vijf pieken, waarvan de eerste twee hoge pieken gevolgd worden door enkele lagere pieken (figuur 10a). De eerste piek wordt geproduceerd door de cochlea en de gehoorzenuw. De volgende door hogere centra in de hersenen (figuur 10b).

 
Figuur 9: Het meetpatroon wordt uitgeprint
 
     
figuur 10a (links): De eerste twee pieken representeren de impulsen geproduceerd door de cochlea en de gehoorzenuw; de volgende door de hogere centra in de hersenen.
Figuur 10b (rechts): Gehoorzenuw, ganglia en hersenstam welke bijdragen aan de electrische activiteit van de BAER.
     
In figuur 12 is een BAER-test te zien van een unilaterale dove hond met twee registraties met duidelijke pieken van het rechter oor en daaronder twee registraties zonder pieken van het dove (linker) oor. De respons na prikkeling van een doof oor is een nagenoeg vlakke lijn zonder pieken.
 
Figuur 12: Uitslag van een unilateraal dove hond
 

Honden
Gedurende 4 jaar (1995-1998) werden 1298 Dalmatisch hondenpups (waarvan 635 reuen, 635 teven en 28 onbekend) onderzocht middels BAER. Bij controle van de nesten Dalmatische honden door vertegenwoordigers van de rasvereniging, wordt onder meer genoteerd of de iris van een oog (de ogen) blauw van kleur is en wordt vermeld of de hond een kopvlek vertoont. Voor de resultaten van onderzoek van het exterieur uitgevoerd door de nestcontroleurs van de NCDH en voor de statistische bewerkingen werd dankbaar gebruik gemaakt van het referaat van Verhorevoort (1999). Tevens hebben wij onderzoek gedaan naar de incidentie van doofheid bij Bull Terriers en Australian Cattle Dogs waarvan, net als bij de Dalmatische hond, alle pups gescreend worden en bij Argentijnse doggen, en Engelse Setters. Wij zullen ons hier beperken tot de resultaten van de nestonderzoeken bij deze vier rassen, die het best weergeven wat de incidentie van doofheid in die populatie in Nederland is.

Genetische analyse
Het voorkomen van doofheid werd vergeleken met het gemiddelde voorkomen van doofheid bij de gehele onderzochte groep met de Students t-test; de relatie tussen geslacht of fenotypische kenmerken en doofheid met stepwise logistische regressie. Een dendrogram (een soort stamboom van verwante groepen honden binnen het onderzochte ras) van de populatie Nederlandse Dalmatische hond werd vervaardigd door Dr. Ubbink, volgens de methode zoals door hem verricht bij diverse rashondenpopulaties (waaronder Labradors, Berner Sennenhonden, Cairn Terriers, Bedlington Terriers) op basis van het geregistreerde bestand bij de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland. Dr. Ubbink heeft hiermee voor diverse genetische afwijkingen (zoals LPC en OCD, LPC en INC, levershunts, koperstapelings-ziekte) de verspreiding binnen die populaties aangetoond (Ubbink, 1998). Bij de Dalmatische hond kon de populatie verdeeld worden in 22 subgroepen waarvan elke subgroep honden bevat met een verwantschap tot in de derdegraad (1/8 deel van het genoom gemeenschappelijk)(fig. 11). De lengte van de verticale balk correleert met het aantal dieren in de subgroep. Dalmatische honden met afwijkend gehoor die tot eind 1999 door ons werden onderzocht middels de BAER-test worden gekleurd weergegeven. Het blijkt dat 45% van alle Dalmatische honden behoort tot twee subgroepen (de eerste en de twintigste subgroep). Het blijkt ook dat iedere subgroep van verwante Dalmatische honden dove honden bevat. Tevens werd een risicospreiding van verantwoordelijke ouders en een risicoschatting voor pups van aanstaande ouderparen door Ubbink uitgevoerd. Hierbij werd gekeken of dove pups vaker of minder vaak van bepaalde ouderdieren afstammen. In Fig. 13 is weergegeven dat van de huidige populatie er 26 honden zijn die vaker doofheid hebben vererfd dan het gemiddelde fokdier. Met de computer werden (theoretisch) alle huidige teven en reuen met elkaar gepaard en werd een risicoschatting voor doofheid van alle (theoretisch geboren) pups door Ubbink uitgevoerd om te bezien of een volgende generatie meer of minder kans heeft op doofheid. Hierbij bleek (Fig. 14) dat de meeste pups een kans hebben om doof te worden van 0 tot 35% rond het gemiddelde van de populatie (dat is 17,6%), maar er waren combinaties waarbij de pups tot 58,3% kans hadden doof te worden.
Resultaten
Van de totale groep middels BAER onderzochte groep Dalmatische honden (n=1298) bleek 20,8% doof waarvan 64 dieren (4,9%) bilateraal en 206 (15.9%) unilateraal (referaat Verhorevoort 1999). Van de 64 bilateraal dove pups waren 14 reuen en 18 teven en van de 206 unilateraal dove pups waren 91 reuen en 115 teven, zodat éénzijdige doofheid significant (p=0.01) vaker bij teven dan bij reuen voorkomt. Van 1245 Dalmatische pups zijn zowel de exterieurgegevens als de resultaten van hun BAER-onderzoek bekend. Bij 45 pups met een blauwe iris bleken 21 (46,6% unilaterale honden en geen enkele hond bilateraal doof, zodat de relatie tussen blauwe iris en éénzijdige doofheid significant (p<0.001) vaker wordt gezien dan in de gehele onderzochte populatie. Van de 1298 geteste Dalmatische pups werd bij 105 (8,1%) een kopvlek waargenomen, waarvan 8 dieren (7,6% van de onderzochte populatie) doof (7 uni- en 1 bilateraal), zodat doofheid significant minder vaak (p<0.05) voorkomt bij honden met een kopvlek dan in de gehele onderzochte populatie.

Bevindingen van (BAER-)onderzoek en fenotype bij pups van Dalmatische hond
 Totaal aantal Dalmatische honden 1298
Normaal gehoor 79,2%
Afwijkend gehoor 20,8%
Eénzijdig doof 15,9%
Beiderzijds doof 4,9%
Met blauwe iris (3,6% van populatie) en doof 46,6%
Met kopvlek (8,1% van populatie) en doof 7,6%

Bevindingen van brainstem auditory evoked response (BAER-)onderzoek bij pups van 4 rassen
  Argentijnse Dog  Bull Terrier Australische Cattle dog Engelse Setter
Totaal aantal onderzochte dieren van complete nesten 60 201 38 59
Bilateraal doof mnl:vrl  13% 7 : 1  1% - : 2  0%  0%
Eénzijdig doof Mnl:vrl   20% 1 : 1   6% 7 : 5  10,5% 1 : 3 3.5% - : 2

Uit het onderzoek van de Nederlandse populatie Dalmatische honden (n=1633) is gebleken dat alle Nederlandse Dalmatische honden in de vijfde generatie verwant zijn. Tevens blijkt dat de twee grootste groepen verwante dieren 45% van alle Nederlandse Dalmatische honden uitmaken, wat de kleine genetische basis van dit ras aangeeft en waaruit blijkt dat het niet eenvoudig is zonder genetic councelling, om minder verwante honden te selecteren voor de fokkerij. In alle verwante groepen komt doofheid voor, met een kans op doofheid die niet significant verschilt van het populatie gemiddelde van 17.6%. Dr. Ubbink heeft berekend dat van de 1298 Dalmatische honden van deze studie maar 408 honden nog gerelateerd zijn aan de Dalmatische hond van de huidige generatie en dus 2/3 van het totaal aantal onderzochte Dalmatische honden niet bij heeft gedragen aan de huidige genetische pool. Het merendeel van de 408 honden is gelijkelijk gerelateerd aan dove honden, alhoewel 26 honden meer risico hebben om dove pups te krijgen dan de andere honden. Ook is er een risico verspreiding gemaakt van de potentiële pups van alle mogelijke paringen. In totaal werden voor de berekening 1345 horende honden uit de huidige generatie gebruikt. Deze groep bestond uit 658 reuen en 687 teven zodat 226.023 paringen mogelijk zijn. De theoretisch gevormde generatie zal een risico-schatting voor doofheid hebben als weergegeven in de grafiek met gemiddeld risico rond 17.6%, met een spreiding tussen de 2,3 en 58,3% (fig.12).
Figuur 12: Relative ancestor association De 408 Dalmatische honden die hebben bijgedragen aan de huidige genenpool zijn gelijkelijk gerelateerd aan dove honden (rond het populatiegemiddelde van 17,6%); 26 honden hebben meer risico om dove pups te krijgen.
Figuur 13: Risico spreiding van potentiële paringen De huidige populatie Dalmatische honden bestaat uit 658 reuen en 687 teven met potentieel 226.023 paringen; de theoretisch gevormde populatie heeft een gemiddeld risico voor doofheid van 17,6% met een uitloop tot 58,3%.

Discussie
Congenitale doofheid is bekend bij 64 hondenrassen en kan het functioneren van de hond ernstig belemmeren. Indien de doofheid niet bekend is bij de eigenaar kan deze de hond koppig, dom of gemeen vinden, alhoewel dit laatste zeker geen onderbouwd feit is (Becker 1998). Om deze reden en als onderdeel van fokmaatregelen worden frequent dove honden geëuthanaseerd (Becker 1998). Éénzijdige doofheid wordt veelal niet goed onderkend door leken (Holliday 1992). Er worden significant meer dove pups geboren uit één- of beiderzijds dove Dalmatische honden (41,2% van het totaal aantal jongen uit een combinatie met een eenzijdige dove en een één- of tweezijdig dove) dan uit twee niet dove Dalmatische honden (27% van de pups geboren uit een beiderzijds horende ouderdieren) (Strain 1995). Daarom wordt in Nederland door de NCDH geen pupbemiddeling verricht voor één- of beiderzijds dove honden, hetgeen door middel van de BAER- test moet worden vastgesteld. De BAER-test wordt verricht als de pup minimaal een leeftijd van 6 weken heeft bereikt, enerzijds omdat dan het eventuele degeneratie proces van de cochlea voltooid is en anderzijds omdat de pups op een leeftijd van 6 weken worden gechipt, zodat de hond dan ook te identificeren is voor het certificaat van de W.K.Hirschfeld Stichting. De oogkleur en de aanwezigheid van een kopvlek vormen een significante bijdrage aan het optreden van doofheid bij de Dalmatische hond, zoals ook gevonden werd door anderen (Strain 1992, Holliday 1992, Greibrokk 1994). Honden met bruine irissen (13.4%) en/of een kopvlek (7.6%), hebben een lagere incidentie voor doofheid dan het gemiddelde van de hele populatie (17,6%). De kopvlek wordt in de rasstandaard omschreven als een ongewenst uiterlijk kenmerk, reden waarom de Dalmatische hond met kopvlek niet in het officiële stamboek ingeschreven wordt. Dieren met blauwe irissen vertonen de hoogste incidentie (46.6%) en worden uitgesloten voor de fok. De meerderheid van de toekomstige generatie heeft een te verwachten incidentie voor doofheid rond de 17.6%, maar een bepaalde groep van honden heeft een verhoogd risico, van 35%- oplopend tot wel 58%. Dit systeem van risicoschatting op basis van de bestaande genetische gegevens geeft de mogelijkheid om de rashondenfokkerij een extra advies te geven (genetic counseling) bij de keus van de combinatie van ouderdieren. Het is duidelijk dat het resultaat van paringen gekozen uit het linker gedeelte van het histogram aanzienlijk betere resultaten zal geven in de toekomstige generatie met betrekking tot doofheid. Zolang er geen DNA-test voor doofheid is ontwikkeld, is de BAER de meest betrouwbare meethode van screenen op (éénzijdige-) doofheid en genetic councelling de beste methode de incidentie van doofheid versneld terug te dringen in toekomstige generaties. Nadere studie is noodzakelijk om te bepalen of nakomelingen van Dalmatische honden met bruine irissen voornamelijk voorkomen in het linker gedeelte van de grafiek. Doofheid (unilateraal) wordt vaker gezien betreffende de Dalmatische hond en de Australische Cattle Dog bij het vrouwelijk geslacht. Bij de Bull Terrier zien we een lichte prevalentie voor unilaterale doofheid bij de reu. Ook bij de beiderzijdse dove Argentijnse Doggen zijn de reuen in de meerderheid. Nadere analyse van grotere aantallen dove honden zal moeten uitmaken of de prevalentie van doofheid bij een der geslachten terug te voeren is op een verschil aan penetrantie van het genetisch defect. In een Amerikaans onderzoek wordt doofheid beschreven bij 11,0% Bull Terriers, 12,6% Australische Cattle Dog en 14,3% Engelse Setter (Strain, 1998). De resultaten van de BAER-test van de Bull Terriers en Engelse Setters betreft uitsluitend een groep jonge dieren, waarvan door de fokkers mogelijk de beiderzijds dove dieren reeds uitgeselecteerd werden, hetgeen wellicht de lagere incidentie van doofheid in vergelijking tot de Amerikaanse populatie zou kunnen verklaren. De resultaten van ons onderzoek bij de Australian Cattle dogs stemmen met de bevindingen van Strain (1998) overeen. Het is opvallend dat bij de Argentijnse dog nog nooit doofheid werd beschreven terwijl doofheid bij een op de drie Argentijnse Doggen lijkt voor te komen en het percentage onderzochte Argentijnse Doggen met doofheid dat van de Dalmatische honden overtreft. Het lijkt dus dringend gewenst dat ook de fokkers van de Argentijnse dog een BAER- test uit laten voeren voordat er met de hond gefokt wordt, alsmede onderzoek van de nieuwgeboren pups laten uitvoeren op de leeftijd van 6 weken in het kader van het nakomelingen onderzoek. Zeer waarschijnlijk zal ook genetic counseling middels risicoschatting hier een grote bijdrage kunnen leveren om het voorkomen van doofheid snel terug te dringen.

Figuur 14: Een op de drie onderzochte Argentijnse Doggen blijkt met de BAER test unilateraal of bilateraal doof.

Uit de bevindingen van het door ons verrichte doofheidsonderzoek met behulp van de BAER-test en de genetische analyse door Dr. Ubbink kunnen we concluderen dat doofheid in enkele rassen met honden met het gen voor een witte of merle-kleurige frequent voor komt. Eigenaren van honden van deze rassen met congenitale doofheid zullen bij gedragsafwijkingen van hun hond geattendeerd kunnen worden op het BAER-gehooronderzoek, dat niet invasief en zeer reproduceerbaar is. Verenigingen van rassen die het risico lopen dat er veel doofheid voorkomt zullen hun fokbeleid mede moeten baseren op de resultaten van doofheids-onderzoek om het aantal lijders terug te dringen. DNA-onderzoek zal in de toekomst behulpzaam kunnen zijn dragers van dit gen op te sporen. Selectie op fenotypische kenmerken kunnen een positieve, maar ook een negatieve bijdrage leveren bij het terugdringen van doofheid, zoals bij de Dalmatische honden uit ons onderzoek werd aangetoond. Totdat DNA-onderzoek voor doofheid verricht kan worden, zal genetic counselling van rasverenigingen met congenitale doofheid door veterinaire genetici moeten worden uitgevoerd.
Bron: www.dijkshoorn.com